woensdag 8 mei 2013

Rana Plaza: vakbonden kunnen levens redden

 
 
Precies tien dagen geleden stortte in Savar, een kleine dertig kilometer buiten Dhaka, het Rana Plaza complex in. In het gebouw waren vijf kledingfabrieken gevestigd, op het gelijkvloers een winkelcentrum en een bank. De dag voordien was het gebouw geëvacueerd omdat het op zijn grondvesten daverde en kraakte. Maar die noodlottige woensdag waren volgens cijfers van BGMEA, de machtige werkgeverskoepel in de sector, zo’n 3.112 arbeiders, vooral vrouwen, terug aan de slag gegaan. Niet op vrijwillige basis, maar gedwongen. Want, zo blijkt uit vele getuigenissen, wie niet aan het werk ging zou zijn baan verliezen; en ook het achterstallig loon dat nog niet betaald was. Bovendien hadden de eigenaars, zonder op een expertise te wachten, verklaard dat er niets ernstigs aan de hand was. Met de schrik om het hart, en onder de dreiging van stokslagen, werd het werkbevel van de bedrijfsleiders gevolgd. Vele honderden zouden het met de dood bekopen. Nog een groter aantal collega’s geraakte gekwetst. Want minder dan een uur later zakte het gebouw als een kaartenhuisje in mekaar. Moord, blokletterden sommige kranten; hier en daar sloot een politicus zich daarbij aan. ‘Als er vakbonden actief waren geweest, had deze ramp kunnen voorkomen worden. Die hadden ten minste verhinderd in dergelijke omstandigheden het werk te hervatten.’ Deze stelling vindt meer en meer opgang, ook bij andere (economische) actoren die bij de kledingindustrie betrokken zijn.
Evident toch, zullen vooral Westerlingen zeggen - omdat ze vertrouwd zijn met een (toch nog altijd) vrij grote syndicalisatiegraad onder de werkende bevolking. Waarom organiseren die mensen zich dan niet in Bangladesh, hoor je dan vragen. Zijn er dan geen vakbonden actief in het land, gekenmerkt door een enorme arbeidsmarkt (vooral heel goedkope arbeidskrachten). Het antwoord is iets ingewikkelder dan de vraag stellen.
Bangladesh heeft voldoende wetgeving die de mogelijkheid om zich vrij te organiseren proclameert. Dat is niet het probleem. De internationale arbeidsnormen (vrijheid een vakbond op te richten en om collectieve onderhandelingen te voeren) zijn onderschreven. Maar het schoentje wringt (en dat is zachtjes uitgedrukt) in de omzetting naar de praktijk.
Enerzijds is het bijzonder moeilijk als vakbond een officiële erkenning te krijgen van het ministerie van Arbeid. Anderzijds voorziet de regelgeving dat een aanvraag tot vakbondserkenning de namen van de leiders en leden moet bevatten. Het ministerie zendt deze namenlijst ter controle naar de onderneming in kwestie die de betrokken werknemers ontslaat vooraleer van effectieve vakbondserkenning sprake kan zijn. Deze werkwijze speelt zeker in de kaart van de kledingondernemers en maakt echt vakbondswerk in de sector zo goed als onmogelijk.
Ontslag en intimidatie zijn schering en inslag. Dikwijls hebben arbeiders geen geschreven contract, zodat het bijzonder moeilijk is om voor je rechten op te komen. Als je baas dan nog weigert je rechtmatige karig loon op tijd uit te betalen, dan ben je helemaal een gevangene. Vernieuwen van het volledig personeelsbestand is een ander gevolgde strategie om vakbondswerk in de kiem te smoren. Volgens deze aanpak werkt geen enkele arbeider langer dan vijf jaar in je fabriek. Bovendien vermijdt de onderneming op die wijze dat ze ancienniteitsvergoedingen zou moeten betalen. En sommige eigenaars deinzen er zelfs niet voor terug hun bedrijf te sluiten en enkele maanden later opnieuw te starten met nieuwe arbeiders.
Wettelijk gezien is arbeidersparticipatie nochtans verplicht. Maar eind 2012 hadden slechts 134 van de meer dan vijfduizend kledingbedrijven een arbeider comité. In de praktijk zijn daarvan amper 20 effectief werkzaam. Op andere plaatsen heeft het management dergelijk comité samengesteld, zonder de verplichte verkiezing door de arbeiders zelf. Het zijn zogenaamde ‘pocket comités’ om de buitenwereld, inclusief de merken, zand in de ogen te strooien. Ze spelen geen rol van betekenis, zelfs niet met betrekking tot veilige werkomstandigheden. 
Vakbondswerk in de kledingindustrie is dus bijzonder moeilijk. Het gebeurt vooral buiten de fabriekspoorten. En ook dat is geen sinecure, al is het maar omdat arbeiders heel veel van werkgever veranderen. Wettelijk mogelijk maar in de praktijk riskeer je je inkomen, intimidatie (ook van je gezinsleden) en fysiek geweld.  Geen wonder dat er niet echt sterke vakbonden zijn die in staat zijn een vuist te maken. (De meeste hebben slechts 1.000 t0t 1.500 leden; NGWF, de grootste en ook lid van de internationale Schone Kleren Campagne, telt 37.000 leden.). Geen wonder dat arbeiders straatgeweld als enige uitweg zien om hun woede en hun eisen kenbaar te maken.
Precies daarom wordt de dreiging van de EU (om haar voorkeursbehandeling voor kleding uit Bangladesh te herzien) door de vakbonden verwelkomd. Precies daarom wordt de internationale druk van de consumenten voor het recht op vakbondswerk geapprecieerd. Precies daarom zijn de vakbonden en arbeiders blij dat de hoge IAO-delegatie de voorbije dagen een uitdrukkelijk pleidooi kwam houden om de voorziene wettelijke regelingen m.b.t. het recht op vakbonden en op collectieve onderhandelingen in praktijk te brengen. De IAO verwacht terecht dat politici, die maar al te graag de andere kant opkijken als het om betere en veiliger arbeidsomstandigheden gaat, hun verantwoordelijkheid ter zake opnemen. Want de vrees dat Bangladesh een veelvoud aan Rana’s telt, met een reëel risico dat nog meer rampen niet uitgesloten zijn, is bij velen aanwezig.
 
Jef Van Hecken
Dhaka – 8 mei 2013
 
 
 
 
 
 
 
 
 

vrijdag 26 april 2013

Rana Plaza: verpletterende verantwoordelijkheid van Westerse bedrijven

 
GK - Gonoshasthaya Kandra is met twee reddingsploegen ter plaatse




 (opinie-artikel verschenen in De Standaard, 25 april 2013)
Chaos overheerst
 
 
 
 
 
Chaos alom. Veiligheidsdiensten kunnen de massa niet op afstand houden. Vrijwilligers  slaan zich onder luid geschreeuw een doortocht naar de zoveelste ziekenwagen. Met meer dan duizend zijn ze, de redders van het eerste uur. In een hitte van meer dan dertig graden, tussen puin en stof, geholpen met een zaklamp, een stuk touw en met de blote hand gaan ze de grote betonblokken te lijf: op zoek naar overlevenden. In het gebouw worden ledematen geamputeerd om levens te redden. Onwezenlijk, bovenmenselijk.
Met een stuk touw en blote hand

In deze chaos, zie ik ook paniek of razernij omdat zovele onschuldige arbeidsters nog in het puin van het ingestorte gebouw liggen. Of onmacht omdat ze niet snel genoeg iedereen onder het puin kunnen halen. Of een mix van dat alles. Ook op mijn weg naar de plaats van de ramp, had ik het al opgemerkt. Op sommige plaatsen blokkeren met stokken gewapende jongeren de kruispunten. Elders zie ik groepen mensen richting Savar trekken, woest omdat opnieuw collega’s moesten sterven in onveilige werkomstandigheden. De brand in de Tazreenfabriek eind november ligt nog vers in het geheugen.
Ik deel de kwaadheid van de lokale mensen.  Ik voel onmacht en opstandigheid. Worden hier dan nooit lessen uit getrokken? Er zijn teveel gelijkenissen met gelijkaardige rampen in 2005 (Spectrum), 2006 (Tejgaon), 2010 (Begunbari) en 2012 (Tazreen). Gebouwen, niet eens zo oud, voldoen niet aan de bouwvoorschriften. Extra verdiepingen zijn zonder vergunning toegevoegd, maar de basisconstructie kan het gewicht niet dragen. En wat me nog het meest boos maakt is dat arbeidsters gedwongen worden verder te werken in levensgevaarlijke omstandigheden. Dinsdag werd het getroffen gebouw ’s middags ontruimd omwille van plotse scheuren en gekraak. Experten moesten er bij gehaald worden: werknemers mochten naar huis. Maar de volgende dag moesten ze terug aan het werk. Gedwongen, anders zouden ze hun job verliezen. Met de schrik in het hart zijn vele honderden  de dood in gejaagd.
hamer, pillamp, water ... gevraagd
Ik ben verontwaardigd omdat deze tragedie kon voorkomen worden. Maar als de arbeidsters hun stem verheffen en zich willen organiseren voor veilig werk, worden ze ontslagen, of op een zwarte lijst gezet zodat ze elders ook niet meer aan de bak komen. Opkomen voor je rechten, doe je in de kledingsector niet ongestraft. Vakbondswerk is gevaarlijk: vorig jaar moest een vakbondsleider het nog met zijn leven bekopen. Mensenlevens zijn van geen tel,. Het is alsof slachtoffers er jammer genoeg bij horen, als zogenaamde collateral dammage van het economisch systeem. . Terecht maakt vandaag een Bengaalse krant de analyse dat dit geen tragedie is, maar moord. Wat hebben deze jonge mensen misdaan zodat ze hun job met hun leven moeten bekopen? Velen onder hen zijn ongeschoold, soms ook ongeletterd vanuit het platteland naar de stad gekomen, op zoek naar een inkomen om hun levensstandaard te verhogen. Is daar iets mis mee? Op zoek naar een inkomen, vinden ze de dood.
Op zoek naar verwanten
Natuurlijk moeten bouwovertredingen hier beteugeld worden. Natuurlijk mogen werkgevers hun werknemers niet louter beschouwen als instrumenten om winst te maken. Natuurlijk moet vakbondswerk in de Bengaalse kledingsector mogelijk worden.
Maar ook Westerse bedrijven hebben een verpletterende verantwoordelijkheid. De kledingmerken, die orders plaatsen en boetes opleggen als een order niet tijdig klaar is. Als consumenten kunnen we hen dwingen het “Bangladesh Fire and Building Safety Agreement” te ondertekenen. Door mee te doen aan acties van de Schone Kleren Campagne. Deze overeenkomst -ontwikkeld door Bengaalse en internationale vakbonden- omvat onafhankelijke fabrieksinspecties, verplichte verbeteringen aan de gebouwen en betere veiligheidsregels. Twee buitenlandse bedrijven hebben dit al ondertekend. Waar wachten de andere kledingbedrijven nog op? Hoeveel doden moeten er nog vallen? 
 
Jef Van Hecken
Coördinator Zuid-Azië Wereldsolidariteit
Dhaka, 25 april 2013
 

dinsdag 12 februari 2013

GK steunt Bengaalse lente

 
Vandaag is het precies een week geleden dat het in Bangladesh geïnstalleerde oorlogstribunaal Quader Mollah veroordeelde tot levenslang wegens moord, verkrachting en andere wreedheden begaan tijdens de bevrijdingsoorlog in 1971, toen hij collaboreerde met Pakistan. Hij  wordt o.m. schuldig bevonden aan het vermoorden van meer dan 344 onschuldige dorpelingen. Veertien dagen voordien was een andere beklaagde tot de doodstraf veroordeeld: ophanging. Maar omdat hij voortvluchtig is (hij zou in Pakistan onderdak gevonden hebben), ontsnapt hij aan de strop. Momenteel wachten nog verschillende andere beklaagden op hun proces en verdict. Iedereen verwacht de zwaarste straf, want wie hier een moord heeft gepleegd riskeert ook de doodstraf, die hier niet wordt omgezet in levenslang.

Meer dan veertig jaar na de feiten wordt eindelijk werk gemaakt van de berechting van deze oorlogsmisdadigers. De internationale gemeenschap is het erover eens dat hier in 1971 een echte genocide plaatsvond. Pakistan en haar Bengaalse collaborateurs hielden een ware slachting onder de intelligentsia, de academici en ook de hindoes werden geviseerd. Cijfers lopen uiteen maar spreken boekdelen: meer dan 10 miljoen mensen op de vlucht, naar schatting meer dan 1 miljoen doden en vele honderdduizenden verkrachtingen. Ouderen onder ons zullen zich het ‘Concert for Bangladesh’ in Madison Square Garden, New York, herinneren, op initiatief van o.m. George Harrisson en Ravi Shankar. Het trauma, verbonden met de ontstaansgeschiedenis van dit land, blijft tot op vandaag nawerken. Met de rechtspraak wordt eindelijk geprobeerd de wonden te helen. Neen, hier worden geen oude wonden terug opengereten.

Reeds in 1973 had het toenmalig parlement een wet goedgekeurd om de oorlogsmisdadigers voor de rechtbank te brengen. Maar daar is verder nooit werk van (kunnen) gemaakt. Na de moord in 1975 op Eerste Minister Mujibur Rahman, the father of the nation, namen militairen de macht over. En fundamentalistische moslims, inclusief de collaborateurs, creëerden Jamaat, een politieke partij, die de voorbije decennia aardig wat invloed wist te verwerven, niet in het minst dankzij het grote kapitaal waarover zij beschikken. Het is pas tijdens de laatste verkiezingen in december 2008 dat Awami League, de huidige regeringspartij, aankondigde werk te zullen maken van een effectieve berechtiging van de misdadigers. Het leverde hen een klinkende verkiezingsoverwinning op: ruim 75% van de 300 parlementszetels.
De uitspraak van de rechtbank op 5 februari jl. viel dus in slechte aarde. Iedereen zwaar ontgoocheld over de strafmaat. Eminent historicus Muntassir Mamoon: “Hoeveel moorden moet je begaan alvorens de doodstraf te krijgen?” Jongeren komen massaal de straat op. Het spontane volksprotest dat daaruit resulteerde, vooral gemobiliseerd via facebook en bloggers, groeit na een week nog steeds aan. Shahbagh is meer dan een kruispunt in stad waar de actievoerders verzamelen blazen, waar dagelijks tienduizend mensen – vaak na de school- en werkuren – komen protesteren. In het nabijgelegen park Shadinata Stambha, op 7 maart 1971, riep Mujibur Rahman de bevolking op tot burgerlijke ongehoorzaamheid en onafhankelijkheid van Pakistan. Bevrijding is het gemeenschappelijk kenmerk tussen de huidige protesten en de acties veertig jaar geleden. En dat merk je ook in de slogans en de liederen die de manifestanten aanhoudend echoën. Oudere films over de bevrijdingsoorlog worden tijdens de manifestatie aan deze nieuwe generatie jongeren getoond. De geschiedenis herhaalt zich, schrijven de media. Uit de geschiedenis kunnen we leren, wordt in de nabijgelegen universiteit benadrukt.

Het protest is van een voor Bangladesh ongeziene omvang. ‘Het is de eerste keer in vier decennia dat we vrij en publiekelijk durven spreken, zonder gevaar te lopen op repressie,’ verklaart Nazrul (zelf een freedom fighter) het nog steeds toenemend aantal actievoerders. “In het begin waren we met een goeie 1500 jongeren, allemaal via internet gemobiliseerd. Blijkbaar zuigt onze actie heel de natie mee,” stelt Imran vast. Hij is een van de initiatiefnemers, die van Shahbagh Square hun place-to-be gemaakt hebben. De plaats is ook omgedoopt tot Youth Square. “We gaan niet weg voordat onze eisen zijn ingewilligd; dag en nacht zijn we hier en vastberaden blijven we onze eisen scanderen. De steun die we krijgen uit alle lagen van de bevolking bewijst dat we op de juiste nagel kloppen,” evalueert hij het succes van de acties. De acties blijven zeker niet tot Dhaka beperkt. In alle grote steden van het land lopen gelijkaardige initiatieven. Overal nemen jongeren, artiesten, leerkrachten en sociale activisten het voortouw. Overal brengen de manifestaties een ware volkstoeloop op de been. Media spreken altijd van ‘ten thousands’ maar het is realistischer om van meer dan honderdduizend te spreken. De kracht van deze niet-partijpolitieke beweging wordt door alle lagen van de bevolking zonder onderscheid van afkomst, geslacht, opleiding of rang erkend. Politieke partijen staan er wat aangeslagen bij; ze worden in de hoek gezet en moeten hun geplande manifestaties afblazen; moeizaam proberen ze aansluiting te vinden bij deze revolutionaire volksbeweging.

Het eisenpakket van de activisten, daarbij gesteund door brede lagen in de bevolking, gaat verder dan de doodstraf voor de oorlogsmisdadigers. De wet op het oorlogstribunaal moet de mogelijkheid bieden aan verdediging en aanklager om tegen de uitspraak in beroep te gaan. Verder moeten Jamaat-e-Islami en op godsdienst gebaseerde politieke partijen verboden worden. Media, bedrijven en socio-culturele verenigingen, geleid door oorlogsmisdadigers, moeten ontbonden worden. En er moet juridische actie ondernomen worden tegen de politieke leiders die de afgelopen weken met een burgeroorlog dreigden.
Creatief en ludiek, en vooral vreedzaam en jeugdig zijn de kenmerken van dit protest. Dat valt op als ik tegen de middag ter plaatse kom. Moeders vergezellen hun dochters. Vaders zijn fier dat hun zonen hun idealen delen. Het is drummen aan het reeds meer dan 500 meter lange witte doek om je gedacht neer te schrijven. Studenten in uniform uit ontelbare scholen vervoegen samen met hun leerkrachten de menigte. Ze werpen hun boekentas op een hoop, zetten zich in een kring  en brengen extra vurigheid in de massa.  De mensenzee van manifestanten blijft de ganse namiddag aanzwellen tot een tsunami van opstand. Muziek, film, zang, straattoneel, slogans, straatschilderingen, posters maken: het is een chaos aan activiteiten. Enkele studenten brachten hun studieboeken mee en bereiden zich samen voor op hun examen de volgende dag. Onverzorgde straatkinderen in hun gekende lompen en op blote voeten beleven unieke momenten en maken een dansje op de tonen van Bengaalse volksliederen. Mobiele toiletten zijn aangebracht als was het een groot festival. Op elke deur plakt de naam van een van de beschuldigden. Water en koekjes worden aangevoerd; een schenking van een ondernemer die geen tijd heeft om zelf langs te komen. Als de nationale cricketploeg haar steun komt betuigen, gaat de massa helemaal uit de bol. Luid applaus als omgeroepen wordt dat in Melbourne een grote manifestatie aan de gang is uit solidariteit met Shahbagh. Vreugdedansen en nog luidere slogans als de luidsprekers vertellen dat een bedelaar zijn volledige dagopbrengst aan de volksbeweging geschonken heeft. De oudere generatie is duidelijk tevreden met dit signaal van de jongeren. De geest van 1971 is uit de fles en dat doet zichtbaar enorm veel deugd. “We mogen gerust zijn om het land in handen te geven van deze jonge generatie. Deze golf van verontwaardiging, deze uitbraak van ongenoegen roept het establishment een halt toe,” vindt Mustafa. “A big ‘no’ to the establishment politics, whether in power or in opposition.”  Daarom mag geen enkele politicus het podium op om de massa toe te spreken. Voor vandaag wordt een nieuwe stap in de vreedzame acties aangekondigd. De jongeren vragen 3 minuten stilte om vier uur deze namiddag. “Omdat we beseffen dat niet iedereen naar Shahbagh kan komen,” verduidelijkt Imran.

“Ik voel exact dezelfde emotie opkomen als toen,” vertelt een geëmotioneerde Morshed me aan de telefoon. “In het voorjaar van 1971 kwamen we ook spontaan de straat op. Dit volksprotest leidde uiteindelijk tot de bevrijding. Onze generatie, die gevochten heeft voor een vrij Bangladesh, hoopt dat dit protest onder leiding van jongeren kan leiden tot vrijheid voor elke Bengaal.” Na enkele seconden stilte: “Bedankt dat je naar Shahbagh wou gaan.” Zijn stem breekt. Verbinding verbroken, maar meer dan ooit  verbonden.
Naschrift: Deze ochtend (12 febr) vind ik dit bericht van Kadir in mijn mailbox: “GK ondersteunt deze beweging. Sandhaya Roy vervoegt de manifestanten samen met andere bestuursleden. En morgen organiseren we met GK en met de studenten geneeskunde een menselijke ketting aan het nationaal monument in Savar.” (nvdr.: GK is partnerorganisatie van Wereldsolidariteit)
Jef Van Hecken,
Dhaka 12 februari 2013

maandag 17 december 2012

Victory Day

In december kom je overal vlaggenverkopers tegen
Gisteren was het nationale feestdag. Victory Day noemen ze dat hier. Precies 41 jaar geleden maakte een volksopstand na negen maand een eind aan het Pakistaans bestuur. Neen, het waren geen twee geregelde legers die tegenover elkaar stonden. Het was zoals David tegen Goliath. Pakistan probeerde de dagen voor die 16de december het tij te keren door massaal intellectuelen en vooraanstaanden te doden. Maar een verbeten strijd van freedom fighters creëerde een nieuwe staat: Bangladesh. Sommige zullen zich de televisiebeelden van die tijd herinneren: miljoenen mensen vluchtten het land uit, ook hoogbejaarden, om in India te schuilen tegen de verschrikkelijke terreur die Pakistan aanrichtte. Anderen herinneren zich het fenomenaal concert in Madison Square Garden met Georges Harrison en Pandit Shankar. Ik bezocht een indrukwekkende fototentoonstelling in de Bengal Gallery: een 27 jarige fotograaf legde toen de ellende vast in spekende zwart wit fotografie; nu werd zijn getuigenis voor het eerst wereldkundig. Hij beschrijft hoe een alles verdovende stilte overheerste, terwijl duizenden graatmagere mensen in langgerekte stoet India binnentrok. Ik bezocht de tentoonstelling met Sohrab, 15 jaar in 1971. Tranen blonken in zijn ogen toen ik hem vroeg welke herinneringen hij nog aan die tijd had. Ik drong niet aan op meer woorden. Zijn antwoord zei genoeg.
De droom van velen op vrijheid kon echter niet echt gerealiseerd worden. Morshed zond een email: “Wachtend op vrijheid voor alle mensen van Bangladesh. Vandaag herinneren we onze onafhankelijkheid. Vanwege een vrijheidsstrijder.” En ook in de geschreven pers  merk je deze frustratie. New Age bloklettert: “40 jaar zijn voorbij, maar het politieke landschap is er niet op verbeterd, het is eerder afgebrokkeld. De martelaren vochten toen voor een vredevolle staat, maar de actuele politieke situatie is een verraad van hun verwachtingen.” Er is werk aan de winkel om het tij te keren. December wordt in Bangladesh gevierd als de overwinningsmaand. Maar dit jaarhalen de dagen van blokkades en hartals het makkelijk van de dagen van feestvieren.  (Een hartal is oorspronkelijk een actie van burgerlijke ongehoorzaamheid: geen verkeer, winkels gesloten, scholen en burelen toe, iedereen thuis.) In Bangladesh mondt dat slag voor keer uit op geweld, en zelfs de avond voordien worden auto’s beschadigd of bussen in brand gestoken om te laten zien dat het menens is. Vorige week nog werd Bishwajit Das, een 23-jarige kleermaker toevallig in de buurt, afgetuigd met stokken, messen en ander getuig tot hij uiteindelijk aan zijn verwondingen bezweek.  Een clash tussen regeringsgezinde en oppositiegroepen behoort tot de dagelijkse nieuwsberichten.  Regering en oppositie zitten in een uitzichtloze tweestrijd en gunnen elkaar niet de minste ruimte. Sheik Hasina, eerste minister dreigt er zelfs mee Khaleda Zia, de belangrijkste oppositieleidster op te sluiten wegens agitatie tegen de staat.
Maar 16 december is ook een dag van feest. In onze wijk had het lokale comité een gevarieerd programma uitgewerkt. Om 8:30 uur hijsen van de vlag op het moskeeplein, daarna een optocht door de straten ondersteund door muziek en afgerond met een kleine snack voor de deelnemers. Nadien kunnen de kinderen in een teken- en schilderwedstrijd (voor de gelegenheid ‘art competition’ gedoopt)hun impressies weergeven. Om 15:00 stond een voetbalwedstrijd op het programma.  Een echte Afrikaanse voetbaltrainer ontfermde zich over de kinderen en deed er alles aan om dit gebeuren een unieke allure te geven: groepsfoto, overhandigen van wimpeltjes, aftrap door een van de notabelen. En om 18;00 uur zat ik in de lokale feestzaal voor een cultureel programma met dans, muziek en zang. Naarmate de avond vorderde geraakte ik meer en meer in de ban van de lofliederen over Bangladesh (dat was zowat het enige woord dat ik verstond). En de volwassen zang- en muziekgroep met lokaal talent zou in menig folk festival niet misstaan.
Om 21 uur terug thuis, terugblikkend op de vele foto’s en een mooie dag. Op de radio klinkt dezelfde volksmuziek verder. Ik draai de knop nog niet om …

 
 
Dhaka, 17 december 2012

zaterdag 8 december 2012

Alleen de kleren die we droegen konden we redden



Shanties in sloppenwijk Tejgaon

Donderdag 20 september. Om 9:30 uur breekt brand uit in de Tejgaon Begunbari slum. Het vuur verspreidt zich razendsnel en de vlammen zijn kilometers ver te zien. Volgens de kranten de dag nadien werden 400 shanties (kamers) verwoest. Vele bewoners zijn aangesloten bij National Garment Workers Federation (NGWF)[1], een partner van WS. Een reden voor Wereldsolidariteit om de getroffen arbeidsters – weliswaar bescheiden – financieel te steunen. Want in nood kent men zijn vrienden.
Sharmin
“Op dat ogenblik waren de meeste bewoners aan het werk in een van de kledingfabrieken rondom,” vertelt Sharmin die al zeven jaar in de Nasha fabriek werkt. “Wij mochten van onze baas aanvankelijk niet naar buiten om spulletjes proberen te redden; vriendinnen uit een andere fabriek mochten dat wel. Mijn moeder en neef waren op bezoek en konden met moeite een uitweg vinden in deze vlammenzee. Ik was in paniek toen ik geen van beiden vond. Gelukkig vonden we mekaar een hele tijd later terug.”
Jasmin
De oorzaak van de allesverwoestende brand is onderzocht en bekend. “Sommigen spreken van een aanslag, anderen zeggen dat de eigenaar de huizen in brand stak. Weer anderen zeggen dat een kookstel te heet geworden was en dat de brand zich snel kon verspreiden via naastliggende elektriciteitskabels. Maar wij zijn simpele arbeidsters en weten daar allemaal niets van,” verklaart Jasmin, net als Sharmin  afkomstig uit Goforgao in het Mymensingh district. Zij werkt al vier jaar in de Padma fabriek, op amper tien meter van de slum.
Panna
“De brandweermannen hadden hun handen vol met het beschermen van de fabrieksgebouwen en lieten onze woningen opbranden. Als de opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen in brand zouden vliegen, dan zou de ramp voor de ganse omgeving niet te overzien zijn,” mengt Panna zich in het gesprek. Zij is de jongste in dienst en kwam twee jaar geleden uit Choraghat, Rajshai district, naar de stad op zoek naar werk.
“Ik werk sinds drie jaar in de Shepal fabriek,” getuigt Salma, ook afkomstig uit Goforgao. “Er was geen sprake van onze woningen binnen te gaan. Alles ging in vlammen op. Het enige wat we konden redden waren de kleren die we op dat moment droegen.”
Salma
“Het zal minstens twee jaar duren om al wat verloren is gegaan terug bijeen te sparen. Want met onze lage lonen en hoge huurkosten is het bijzonder moeilijk om op het eind van de maand nog iets over te houden,” oordeelt Ayesha. Zij kwam drie jaar geleden uit de char[2] Jabbar in Noakali district en werkt voor Orinstyle.
Ayesha
“Ik had wat geld bijeen gespaard en zou binnenkort naar mijn familie terugkeren. Maar dat moet ik nu minstens twee jaar uitstellen,” treurt Panna. “We hebben wel van verschillende kanten een aalmoes als compensatie gekregen,” voegt Salma toe. “De overheid gaf voedsel voor een dag of twee. BRAC[3] deelde 1000 taka per familie uit. En de fabriekseigenaars gaven hun getroffen arbeidsters tussen de 400 en de 1000 taka. Maar telkens is de verdeling niet correct verlopen.”

 “Momenteel is het nog steeds moeilijk de draad weer op te pakken,” besluit Sharmin. “We zijn allemaal verspreid en leven niet meer in dezelfde slum. Solidariteit moeten we dus terug opbouwen. Op de plaats waar we woonden is de grondeigenaar nu een groot gebouw aan het oprichten. Hij heeft veel geld aan ons verdiend door veel huurgeld te vragen voor een kleine kamer, die we met anderen moesten delen. Van hem hebben we geen enkele compensatie voor de geleden schade gekregen.”
Na dit gesprek en de overhandiging van de steun aan 130 arbeidsters, stapten we af bij de plaats waar het onheil meer dan twee maanden geleden geschied was. Als je het niet weet, merk je niets. Sommige stukken van het land zijn verhoogd en overal worden verse muren gemetst. Gesprongen ramen van de naastliggende Padma fabriek zijn de enige stille getuigen. Of toch niet …
Rodriga uit de buurt komt helpen
In een hoek van het terrein merk ik dat verse bamboestokken en nieuwe tinnen platen een mogelijk signaal zijn van nieuwe bewoning. En gelijk had ik, al kon ik mijn ogen (weer) niet geloven. Achter een schamele deur kreeg ik de inkijk in het gelijkvloers waar een tiental woonruimtes was klaargemaakt. Gemiddelde oppervlakte: 5 vierkante meter. Deze ruimtes worden vaak gedeeld door meerdere arbeidsters om toch wat kosten te drukken. Want de ‘landowner’ vraagt al gauw 3000 taka[4] per maand. Rodriga, die in een nabijgelegen hospitaaltje voor de slums werkt, komt hier regelmatig de kindjes en jonge moeders bezoeken. “Na de brand moest iedereen elders onderdak zoeken. Sommigen hebben nog steeds niets gevonden. De eigenaar trekt zich dat allemaal niet aan. Hij bouwt hier een appartementsgebouw, met het geld dat hij hier verdiende aan het verhuren van shanties.”
Wonen in hokken van 5 vierkante meter
 
Ik moet denken aan een straffe uitspraak vorige week in Manila, tijdens het Wereld Sociaal Forum over Migratie: ‘migratie is de slavernij van deze eeuw’. De meeste arbeidsters in deze kledingsector zijn migranten uit het platteland, op zoek naar werk in de stad. Veiligheid en gezondheid op het werk zijn vaak ondermaats. Hetzelfde geldt voor het wonen. Goed dat NGWF blijft proberen deze mensen te organiseren om het tij te keren.


Dhaka, 8 december 2012
Jef Van Hecken
 


[1] NGWF is sinds vele jaren actief lid van de internationale Schone Kleren Campagne.
[2] Char: natuurlijk gevormd eiland in een brede rivierbedding. In het regenseizoen is er permanent gevaar dat deze eilandjes overstroomd of weggespoeld worden. Sommige chars verdwijnen al na enkele jaren. De bewoners moeten dan elders opnieuw een onderkomen vinden. De vruchtbare grond van de chars trekt landloze mensen aan om er te wonen.
[3] BRAC is de grootste ngo van Bangladesh die in zowat alle maatschappelijke sectoren actief is: gezondheid, onderwijs, bank, …
[4] Dat is ongeveer 30 euro en voor vele arbeidsters flink meer dan de helft van hun maandloon. De meesten beginnen te werken aan een minimumloon van 3000 taka, en omdat allen overwerken kunnen ze nog eens 2000 taka verdienen. Na vier/vijf jaar kunnen ze een basisloon hebben van 4500 taka.

maandag 26 november 2012

Brand doodt meer dan 100 onschuldige arbeidsters


Ik ben er nog niet goed van. Inwendig kook ik zo een beetje en dat overkomt me maar zelden. Dat ene sms-berichtje daarstraks van Goretti sneed me de adem af. ’In Bangladesh is een textielfabriek afgebrand meer dan 100 doden’.
Kwaad, boos en slecht voel ik me. Dat is nu minstens al het derde groot brandaccident de afgelopen weken. En dan maak ik nog geen balans op van de voorbije jaren. Tweemaal zijn goedkope honderden woningen – dikwijls twee verdiepen hoog met simpelweg wat tinnen platen aan mekaar geslagen – van voornamelijk textielarbeidsters in de vlammen opgegaan. Wereldsolidariteit doet haar duitje in de zak om deze slachtoffers te helpen met rijst en kleding; deze mensen hebben echt alles verloren, behalve de kleding die ze die nacht om het lijf hadden.
Maar nu meer dan 100 doden! Mijn vingers trillen er nog van; ik stel vast dat ik er serieus van aangedaan ben. En dan niet thuis (in Dhaka) zijn; en er niets kunnen aan doen. Godver… waarom moet dat nu blijven duren! Waarom moeten weer zoveel onschuldige arbeidsters opgeofferd worden? Wanneer gaat dat nu eindelijk eens stoppen? En de onmacht die ik voel heeft niet alleen met de afstand te maken. (Ik ben nu in Manila waar morgen het Wereld Sociaal Forum over Migratie van start gaat, voor de eerste keer georganiseerd in Azie.) Ik voel me vooral ook razend kwaad omdat deze accidenten kunnen voorkomen worden. Maar neen, als de arbeidsters zich willen organiseren, worden ze aan de deur gezet. Uw stem verheffen doe je in de textielsector niet ongestraft. Vakbondswerk is erg risicovol; in april moest een doorzetter het nog met zijn eigen leven betalen. Wie zijn mond opendoet, vliegt aan de deur; er staan wel duizenden te wachten om je post in te pikken. Wie hiertegen iets wil ondernemen, verliest zijn inkomen.
Ja, de overheid heeft enkele jaren geleden de zogenaamde ‘industrial police’ opgericht, een speciale politie-eenheid om onrust in de fabrieken te vermijden. Maar ondernemers, die het nalaten de veiligheid van hun arbeidsters te garanderen door te investeren in aangepaste en veilige infrastructuur (waaronder elektriciteit), die gaan vrijuit. Het is alsof geredeneerd wordt dat die slachtoffers er jammer genoeg bij horen, als zogenaamde collateral dammage voor het economisch systeem. Dit onrecht kost mensenlevens en dat is geen slogan. Ik wil dat niet begrijpen. Mijn hart krijgt er ritmestoringen van, mijn stem stokt in mijn keel en tranen springen in de ogen als ik erover vertel aan Maria en Myriam die me toevallig op de skype tegenkomen. Ze hadden het droeve nieuws vanmorgen ook gehoord. (Bedankt trouwens voor het bellen.) Ik heb dit verhaal vanavond ook aan Clara verteld, die net aangekomen is uit India. Wereldsolidariteit geeft haar de kans om uit haar ervaring met de National Domestic Workers een actieve bijdrage aan dit wereldforum te geven. Want huisarbeid en migratie gaan hand in hand: vele migrerende vrouwen worden als huispersoneel tewerkgesteld. Clara keek niet echt verwonderd op bij mijn boze reacties op het drama in Dhaka; maar ze minimaliseerde het ook  niet. Toestanden van slavernij en dodelijke slachtoffers zijn haar in de sector van huisarbeid niet vreemd.
Waar ik – als ik eerlijk ben – het meest van opkijk en me tegelijkertijd erg klein voel worden? Dat, terwijl vele wantoestanden in onze contreien al lang verleden tijd zijn, er nog zovele sterke vrouwen en mannen blijven opkomen voor recht en waardigheid; tegen alle dreiging en bedreiging in. Dat er nog steeds idealisten zijn die zichzelf wegcijferen en de moeilijke weg stroomopwaarts gaan om het tij te keren en om hoop en toekomst te geven aan mensen die dagelijks in uitzichtloosheid proberen hun weg te vinden. Bij zoveel engagement en vastberaden solidariteit blijf ik nederig mijn steentje bijdragen. Want zo voel ik me toch een beetje deel van het grote avontuur naar rechtvaardigheid en broederlijkheid. En dat is al bij al toch hart - verwarmend.
(Beste lezer, misschien ben ik in jou ogen een beetje ongenuanceerd van wal gestoken. Beschouw dat dan als mijn manier om deze ervaring ook wat van me af te schrijven. Bedankt daarvoor.)
 
Nabericht: Ik had mijn kwaadheid ook overgemaakt aan Agnes, mede-organisator van het Wereld Sociaal Forum over Migratie, met de vraag morgen bij de opening toch even de aandacht op dit drama te vestigen. Het gaat in Bangladesh immers ook om hoofdzakelijk interne migratie: jonge vrouwen die uit het platteland naar de stad trekken op zoek naar werk. Resultaat: het drama in Dhaka wordt opgenomen en er wordt een ‘herinneringsmuur’ opgericht voor alle migranten die in de uitoefening van hun job gestorven zijn. Wellicht heb ik een klein steentje kunnen en mogen bijdragen. Niets doen was veel erger geweest, overtuig ik mezelf.
 
Jef Van Hecken,
Manila 25 november 2012
 

dinsdag 5 juni 2012

Over rijst en fruit, armoede en uitbuiting

Onkruid wordt tussen de rijstplanten weggehaald. (foto: STAR)
Het hoeft niemand te verwonderen dat het volop oogsttijd is. Het begon met de rijst; de eerste (Boro genaamd) van de normaal gesproken drie oogsten wordt binnen gehaald. Maar geen lachende gezichten; vreemd want de oogst is heel goed geweest. De ijzeren wetten van de economie, van vraag en aanbod spelen de hardwerkende boeren serieus parten. Als er goede productie is en veel koopwaar op de markt komt, zakken de prijzen. Bluts met buil zal men zeggen. Er is echter meer aan de hand. Eind april al werd alarm geslagen: de productiekost van rijst lag ongeveer 40% hoger dan de verkoopprijs. Voornaamste oorzaak: gestegen prijzen van brandstof (tot vijfmaal in twee maand) en van meststoffen. De regering probeerde nog een handje te helpen door zelf een massa rijst uit de markt op te kopen, maar dat bracht geen soelaas. En nu is er groeiend straatprotest omdat de regering te weinig doet om de boeren te helpen. De rijstproductie in Bangladesh heeft een historisch hoogtepunt bereikt. En toch blijven de boeren na hard werken arm achter. Omdat ze in geldnood zitten, willen de kleine rijstboeren zo snel mogelijk verkopen. Tot groot jolijt van de zakenmensen uit de stad. Die kopen de ongepelde rijst tegen een heel lage prijs bij de kleine boeren op. Ze hebben opslagcapaciteit en machines om te ontpellen en verkopen pas als de marktprijs gunstig is. Het probleem heeft dus niet enkel met stijgende energieprijzen te maken, maar ook met armoede en uitbuiting.
Zeg niet babaan tegen een banaan; er zijn
heel veel verschillende soorten in Bangladesh
In de fruitsector is dat niet anders. Het fruitseizoen is volop begonnen. Wat in ons land als exotische vruchten verkocht wordt, groeit hier weelderig. Bananen zijn al een hele tijd voorradig, maar nu snoepen we van mango’s, lichi’s en ananas. De meeste mensen kennen hier de verschillende soorten zoals wij appel- en peersoorten uit elkaar kunnen houden. Maar voor mij is voorlopig een banaan een banaan en een mango een mango. Tot media augustus blijft het fruittijd, al is jak fruit ook wel tot september voorradig en duurt de tijd van de litchi’s niet zo lang. En eigenlijk is er heel het jaar rond fruit. Er wordt gezegd dat in Barisal, een regio ten zuiden van Dhaka, een 86-jarige man leeft die enkel fruit eet en die de levenskracht van een veertigjarige uitstraalt. Mensen in de stad hebben dikwijls wel familie ‘op den buiten’ en gaan dan in het weekend hun voorraad opslaan. Geen aardigheid dat ze honderden mango’s terug bij hebben, om zelf verder te verdelen of om een tijdje in de diepvries te bewaren. ‘I have booked a litchi tree in my village,’ hoorde ik deze week vertellen. Daar keek ik toch van op: een boom geboekt en speciaal voor jou gereserveerd. Blijkbaar is dat hier maar heel gewoon.
50 litchi's voor 1 euro
Maar het is niet allemaal romantiek; er zit veel schaduw op heel het oogst- en fruitgebeuren. Als de oogst heel goed is, zakken de prijzen net zoals de rijst. En er is meer aan de hand. Fruitteelt en landbouw zijn voor vele dorpelingen essentieel om economisch te overleven. Een slechte oogst brengt miserie, maar een goed oogst blijkbaar ook. Niet alleen zakt de marktprijs dan ineen, maar meestal hebben ze hun fruit al lang verkocht voordat er van oogst sprake is; omdat ze de centen zo broodnodig hebben. Tussenhandelaars komen op voorhand het fruit van een aantal bomen of een perceel grond opkopen, en zij bepalen de prijs, want de boer heeft het geld nodig. Het is een loterij, wordt dan gezegd. Valt de oogst tegen, dan heeft de boer toch zijn geld. En oogsten kunnen tegenvallen, al is het maar door de hagelbuien of de onweders (dat is niet anders dan in België). Ik sta er trouwens telkens van versteld hoeveel schade en menselijk leed de moesson hier al veroorzaakt heeft: duizenden huizen verwoest, honderden gekwetsten en drieëntwintig doden, waarvan er negentien door de bliksem. Dat is de trieste balans van de laatste veertien dagen. Het tegenovergestelde is ook waar: extra inkomsten bij een goede oogst komen niet bij de boer terecht. De glimlach van de onze mango- of litchi boer is dus van heel korte duur.
Jackfruit, de grote onbekende

Volgende week kom ik naar Brussel voor een internationale vergadering met Wereldsolidariteit. Ik brei er daarna enkele weken vakantie aan met de familie. Misschien steek ik wel enkele mango’s mee in mijn koffer …

Jef Van Hecken
05 juni 2012